Wendy publiceert regelmatig artikelen in De Hoefslag, waarbij ze vaak haar praktijkervaring combineert met tips en quotes van experts. Hierbij het artikel ‘Train je oog voor de sprong’ van 2013, wat interessant zal zijn voor menig basisruiter:

Het goed afleggen van een springparcours vergt enig stuurmanskunst en een goed oog van de ruiter voor de sprong. Struikelt jouw paard wel eens letterlijk en figuurlijk over de balken als jij de afstand naar de hindernis niet goed ingeschat hebt? Word je er onzeker van als je er moeite mee blijft houden? Blijf oefenen, want het is echt te leren!

Dat zeggen experts als Henk Nooren, trainer tot en met Grand Prix niveau, en Luc Steeghs, de nieuwe bondscoach van de ponyruiters en Children. “Hoe meer talent, hoe makkelijker het is. Dat wel. Bovendien leert de ene makkelijker dan de ander, maar het is niet onmogelijk”, is Luc Steeghs van mening. “Er moet wel een basistalent aanwezig zijn”, vindt Henk Nooren. “Als ik morgen ga tennissen of voetballen, kan ik het vast wel een beetje leren maar hoger niveau is natuurlijk een heel ander verhaal. Toch is het oog krijgen voor de sprong voor een groot deel wel te ontwikkelen.”

Een goede afstand naar een hindernis heeft alles te maken met de plek waar het paard afzet voor de hindernis vanuit een ritmische galop. Vooral beginnende springruiters komt het bekend voor: je galoppeert naar een hindernis en je komt niet goed uit bij de sprong. Je komt te ruim bij de hindernis waarbij er is geen plek meer is voor nog een galopsprong of je komt er veel te dicht onder. In beide gevallen maak je het je paard lastig en is de kans groot dat er een balk valt. Maar dat niet alleen. Moet jouw paard teveel noodsprongen maken, dan stappen de meesten vroeg of laat een keer op de rem en besluiten ze de hindernis niet te springen. Worden ruiter en paard onzeker, dan verdwijnt vaak ook het plezier in het springen en dat is jammer!

“Als je maar wil leren en veel oefent, dan zal het inschatten van de afstanden je steeds makkelijker afgaan”, zegt Henk Nooren. “In al die jaren dat ik mensen trainde heb ik tegen slechts twee mensen gezegd dat ze beter iets anders konden doen. Veel hangt ook af welk niveau je wil rijden. Er zijn veel mensen die fijn een 1.30m parcours kunnen springen, maar heb je ambitie om 1.50m te springen dan kun je je eigenlijk geen inschattingsfout meer permitteren.”

Balken en cavaletti
Wie moeite heeft om steeds een juiste afstand te vinden, krijgt bij Henk Nooren veel balken of cavaletti te galopperen. Verspreid door de baan. “Dat kun je elke dag van de week oefenen. Gewoon doen, doen en nog eens doen. Je paard lijdt daar niets aan. Leg de palen op verschillende afstanden. Gaat dat goed, probeer er dan eens een galopsprong meer of minder tussen te maken.”

Luc Steeghs laat de balken liever achterwege en zet meteen cavaletti neer. “Zodat de ruiter wat meer het idee van een sprongetje krijgt.” Maar Steeghs gaat in zijn instructie nog een stapje verder terug aangezien hij veel beginnende ruiters op weg helpt met het springen. “Ik begin met een drafbalk en bouw dan een lijntje, zodat de ruiters steeds dezelfde uitgangspositie hebben en goed inkomen. Gaat dat goed, dan zet ik de hindernissen zo dat je kan varieren tussen vier of vijf galopsprongen, waarbij je als ruiter zelf wat moet regelen. Moet je wat naar voren rijden of je paard juist gesloten houden?”

Ruiters die veel moeite hebben met het rijden van afstanden hebben misschien nog niet veel oog ervoor ontwikkeld, maar vaak is het ook dat ze te weinig controle over het tempo van het paard hebben. “Je ziet dan dat een paard teveel eigen initiatief toont”, vertelt Luc Steeghs. “Maar jij bepaalt hoe groot de galop van het paard is en waar hij afzet voor de hindernis. Een paard moet verruimen en verkorten wanneer jij dat wil. Let op, verkorten is niet langzamer. De lengte van de passen moeten veranderen. Als je dat kan, heb je controle. Je paard moet dus reageren op zit-, been- en teugelhulpen.”

Henk Nooren ziet graag een paard met een ‘praktische’, gedragen galop. “Daar zul je simpeler een afstand mee kunnen rijden dan een grote, trage galop. Het wordt voor de ruiter een stuk makkelijk als de galop balans heeft en te sluiten en te verlengen is.” Luc Steeghs beaamt dat. “Voor een ongetrainde ruiter zal een grote galop moeilijker zijn, ook omdat die paarden snel te dicht onder de hindernis lopen. Dat vergt extra training.”

Wie de lijntjes vanuit de draf goed springt in de lessen van Luc Steeghs, gaat over op het springen vanuit de galop. “Over lage hindernissen en zoveel mogelijk vanuit een wending of een volte. Je houdt je paard makkelijker gesloten en op het achterbeen. Als je al wat oog voor de sprong krijgt, kan je de wending naar de hindernis iets verder naar buiten uitrijden als je ziet dat je wat dicht gaat komen, of juist iets meer binnendoor als je een langere afstand ziet. De volgende stap is het springen vanuit een rechte lijn, waarna je kan oefenen op een galopsprong meer of minder tussen twee hindernissen.”

Luc Steeghs is zelf al sinds 1989 in dienst van Stal Hendrix, leidde menig jong paard op naar de Grand Prix en geeft onder meer instructie op de MBO-paardensportopleiding Citaverde in Roermond. “Daar op school heb ik zelfs dressuurruiters een B-parcours leren springen. Het allerbelangrijkste is om ze het gevoel van ritme en afstanden rijden over te brengen. De reden dat de springsport voor veel ruiters niet aantrekkelijk is, is omdat ruiter en paard een keer bang zijn geworden bij het springen en er afkeer van krijgen. Dus nogmaals: maak het niet te moeilijk en te hoog. Plezier in de sport staat voorop en dat krijg je met een goede opbouw!”

 

Tip van Henk Nooren:
“Leg een paal op 11,5 tot 12 meter voor de hindernis, waardoor het paard steeds drie galopsprongen moet maken voordat hij de sprong maakt. Doordat hij steeds diezelfde afstand moet lopen, wordt het comfortabel voor paard en ruiter. Als je weet dat je paard steeds goed uitkomt, is het makkelijker om hoger te springen. Zo kun je de hindernis optrekken zonder dat de ruiter zich drukt hoeft te maken of het wel gaat passen.”

Tip van Luc Steeghs:
“Blijf op lage hindernissen oefenen totdat het rijden van afstanden bevestigd is. Maak de lijntjes niet te moeilijk. In de klasse B en L bouwt een parcoursbouwer de afstanden zodanig dat je ze in een normaal ritme kan overbruggen. Probeert dat zo lang mogelijk te trainen vanuit een basisritme en met voldoende controle over je paard. Pas de afstanden in de training niet aan aan de galop van jouw paard, want je houdt alleen jezelf voor de gek. Op concours zal je die vaste afstanden ook moeten rijden.”

Tip van Luc Steeghs:
“Als je een balk voor en achter de hindernis wil leggen, leg ze dan op zes meter afstand van de hindernis. Er zijn veel ruiters die ze op drie meter afstand leggen, maar ik vind uit ervaring dat een paard dan teveel naar de sprong trekt. Met zes meter ertussen, dwingt het ze om de laatste galopsprong iets korter te maken.”

Wat elke springruiter moet weten:
De galopsprong van een paard meet gemiddeld 3,5 meter. Galoppeer je thuis over balken of cavaletti zet ze van elkaar vandaan op drie meter en kom rustig in. De afstand tussen de afzet en de te springen hindernis staat vaak gelijk aan de hoogte van de hindernis. Hoe hoger de hindernis, des te verder ligt de afzet voor de hindernis.

Tel bij het parcoursverkennen (één grote stap is één meter) het aantal meters tussen de hindernissen, trek daar op B/L-niveau drie meter vanaf voor de afzet en landing en deel de overgebleven meters door 3,5. Dat is het aantal galopsprongen dat je in een lijn moet rijden. Op hoger niveau zal de parcoursbouwer meer vragen aan de ruiters gaan stellen door een hindernis in een lijn één of twee meter verder of dichterbij te zetten, zodat je de galop van je paard moet verlengen of sluiten.

Meer adviezen:

  • Visualeer het parcours voordat je de ring in gaat. Weet hoeveel galopsprongen je moet maken tussen de hindernissen en probeer je aan je plan te houden.
  • Heel belangrijk is dat je ritme in galop houdt. Een vlot basistempo, waarin je je paard kan sluiten en toch impuls kan houden maar ook kan verruimen als dat nodig is. Probeer wel van een vloeiend tempo uit te gaan.
  • Rijd je in een lange lijn naar een hindernis en zie je de afstand niet, blijf rustig doorrijden. De afstand komt meestal vanzelf naarmate je dichter bij de hindernis komt.
  • Kom je wat te dicht bij een hindernis, realiseer je dan dat je ook minder ver landt. Geef wat been als dit in een lijntje gebeurt, zodat de galop verlengt en het paard passend bij de volgende sprong uitkomt. Is de afzet wat ver, galoppeer dan rustig door of houdt het paard iets tegen.
  • Ben je in de training erg zoekende naar je afstand, tel de laatste drie galopsprongen voor de afzet hardop mee zodat je steeds meer oog voor die laatste afstand krijgt.
  • Krijg je toch een noodsprong, probeer het paard zo min mogelijk te storen. Werk niet terug met je hand en probeer zoveel mogelijk met de beweging mee te gaan.